Zoeken
  • Anouk van der Linde

Haar haar is roze. Her hair is pink.

Negen lastige Nederlands woorden voor beginners:

haar, je, heet, heel, zijn, zeer, weer, meer, pas


Beginners

Tijdens de eerste lessen van een beginnerscursus voor expats kijken cursisten mij altijd heel vreemd aan als ze de zin “Haar haar is roze” horen. Ze vinden het lastig om te begrijpen dat we twee keer het woord “haar” achter elkaar kunnen gebruiken en dat dit woord ook nog eens twee verschillende betekenissen heeft.

Woordsoort

Nu heeft elke taal natuurlijk woorden die meer dan één betekenis hebben. Wat is dan het verschil met bijvoorbeeld een woord zoals “bank”? Een bank kan een meubelstuk zijn of een financiële instelling. Het woord 'bank' heeft meerdere betekenissen, maar in beide gevallen gaat het om een substantief. In het voorbeeld van “Haar haar is roze” is het eerste woord 'haar' een possessief pronomen en het tweede 'haar' een substantief.

*benamingen woordsoorten


Woorden van twee, drie of vier letters

Dit kleine woordje 'haar' zette mij aan het denken en ik ging op zoek naar nog meer van zulke korte alledaagse woorden. Ik kwam tot de ontdekking dat onze taal een aantal hele korte woorden van twee, drie of vier letters bevat met niet alleen een andere betekenis, maar deze woorden verschillen ook qua woordsoort. Ik kwam tot een totaal van negen korte woorden van 2, 3 of 4 letters.


Hieronder vind je een overzicht van negen homoniemen. Dit zijn woorden die dezelfde uitspraak en spelling hebben, maar een geheel verschillende betekenis hebben.

In het overzicht staat naast de woordsoort de vertaling in het Engels (En), Duits (Du) en Frans (Fr), zodat je goed kunt zien dat die talen twee verschillende woorden gebruiken, terwijl het Nederlands hetzelfde woord gebruikt in een verschillende context.


1. haar

2. Haar haar zit goed.

3. Haar haar zit goed.

1. haar= substantief

En hair Du Haare Fr cheveux

2. haar = possessief pronomen

En her Du ihre Fr ses


2. je

1. Heb je je woordenboek bij je?

2. Heb je je woordenboek bij je?

1. je= personaal pronomen “jij”

En you Du du Fr tu

2. je= possessief pronomen je=jouw

En your Du dein Fr ton


3. heet

1.Hoe heet jij?

2. Het is heet.

1. heten= verbum

En What’s your name?

Du Wie heißt du? Fr Comment tu t’appelles?

2. heet= adjectief

En hot Du heiß Fr chaud


4. heel

1. Dit kopje is heel oud.

2. Dit kopje is heel.

1. heel= adverbium

En very Du sehr Fr très

2. heel= adjectief

En whole Du ganz Fr entière


5. zijn

1. Zij zijn blij.

2. Zijn oma helpt hem.

1. Zijn= verbum

En are Du sind Fr sont

2. Zijn= possessief pronomen

En his Du seine Fr sa


6. zeer

1. Zij zijn zeer verliefd.

2. Haar been doet zeer.

1. zeer= adverbium

En very Du sehr Fr très

2. zeer= substantief

En hurts Du tut weh Fr fait mal


7. weer

1. Hij is weer ziek.

2. Het weer in Nederland is wisselvallig.

1. weer= adverbium

En again Du wieder Fr encore

2. weer= substantief

En weather Du Wetter Fr météo


8. meer

1. Ik wil meer vrije tijd.

2. Ik zwem in een meer.

1. meer= adverbium

En more Du mehr Fr plus

2. meer= substantief

En lake Du See Fr lac


9. pas

1. Zij woont pas in Nederland.

2. Ik pas de schoenen in de winkel.

1. pas= adverbium

En only Du nur Fr seulement

2. pas= verbum

En try on Du passe an Fr ajuste


* woordsoorten

substantief = zelfstandig naamwoord= noun

adjectief = bijvoeglijk naamwoord= adjective

adverbium = bijwoord= adverb

verbum = werkwoord= verb

personaal pronomen= persoonlijk voornaamwoord= personal pronoun


Foto’s op Instagram https://www.instagram.com/activedutch/

Photo credit: www.pixabay.com



0 keer bekeken

©2019 by Active Dutch. Proudly created with Wix.com

Terms and conditions Active Dutch

Algemene voorwaarden

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now